7 aug 2010
De familie Bazar
De familie Bazar situeert zich in Port-au-Prince en heeft 4 dochtertjes waarvan er 2 geadopteerd in het buitenland wonen, ééntje in België en eentje in Duitsland. De ouders en de overige twee kinderen wonen in de beruchte sloppenenwijk 'Site Solèy'. Zoals eerder gezegd had deze regio niet al te veel directe schade ondervonden bij de aardbeving van januari. “Hoe komt het dan dat TSL banden heeft met deze familie,” vraag u zich misschien af? Wel dat is een zeer mooi verhaal...
...Ondanks de vele zoektochten verloor de Belgische adoptiemoeder alle contact met de biologische ouders. Toen de aardbeving toegeslagen had wou haar dochtertje in België weten hoe het met haar familie in Haïti zat. Na vele vruchteloze telefoontjes en hopeloos e-mail verkeer naar verschillende organisaties, raakte de familie wat in paniek. Op dat moment begon ook TSL meer en meer bekendheid te krijgen omwille van de noodhulp opgestard voor de Akilse slachtoffers van de aardbeving. Zo hoorde ook de adoptiefamilie van het TSL-team en met hun mailadres als laatste strohalm, mailde de adoptiefamilie met de vraag of TSL de familie Bazar niet zou kunnen vinden. Het was als zoeken naar een speld in een hooiberg, maar toch werd Pontien, de medewerker in de hoofdstad, met de zoektocht belast...
...En op een dag was het zover, het bijna onmogelijke gebeurde: Pontien vond de familie terug. Op de eigenlijke verjaardag van de adoptie in België, mailde Jeannine de adoptiefamilie terug met het goede nieuws. Deze boodschap kon niet op een mooier tijdstip komen...
...De vraag kwam dan ook of TSL de familie Bazar kon ondersteunen. Er werd daarop in team-gesprek besloten om de familie niet uit haar milieu, zijnde de sloppenwijk Site Solèy, te trekken als ze daar zelf geen zin in hadden, wat daadwerkelijk ook het geval was. Door de onveilige omstandigheden binnen de sité besloot de vader echter om zijn vrouw en de twee meisjes tijdelijk over te brengen naar een bewaakt tentenkamp even buiten Site Solèy. Het is daar dat we in naam van de Belgische adoptiefamilie, een pakket zouden afgeven...
... De familie in dat tentenkamp terugvinden bleek niet zo simpel, zo bleek al uit een vorig blogbericht (zie: I will survive). Bijna moesten we het pakket zelfs achterlaten. Gelukkig bleek dit uiteindelijk niet nodig. Als u zich de blogtekst over Port-au-Prince nog herinnert, dan weet u vast en zeker dat dit tentenkamp vol slijk lag. De meisjes, die na ons bezoek nog naar school moesten, verschenen tot onze verbazing kraaknet in uniform zonder ook maar één spatje slijk op de witte sokken. Ofwel hadden ze hun sokken en schoenen uitgedaan, ofwel hadden ze deskundig goed door het slijk gelaveerd. Hoe dan ook, we konden het pakket afgeven. Na dit moment maakten de kinderen aanstalten om door te lopen naar de verder gelegen school. Om hen nog een laatste pleziertje te gunnen gaven we hen wat geld om met de taptap (typische stadstaxi in Haïti) naar hun schooltje te gaan. De moeder maakte ondertussen ook rechtsomkeer om met haar goederen op straat rond te lopen, in de hoop wat te verkopen. Op die manier stapten moeder en dochters, elk op hun eigen manier, de schreinende realiteit van de hoofdstad tegemoet...
Dit is maar één van de vele families die, op kleinere of grotere schaal, steun krijgen. Later volgen wellicht nog een aantal verhalen van mensen die de aardebeving meegemaakt hebben.
1 aug 2010
29 jul 2010
Convoi Exceptionelle / Gewoon_weg.
Tijdens mijn aankomst, nu al drie weken terug, vertelde Jeannine dat ze, net als vorig jaar, aan de weg gewerkt heeft. Het verschil met vorig jaar was wel dat het hier ging over een volledige weg, terwijl het vorig jaar maar een kort stuk was. Niet alleen de schaal van de werken was groter, ook de impact op het dorp en verdere omgeving was nu groter. 26 juli 2010 kon ik dit alles met eigen ogen zien en welke impact dit project op de dorpsgemeenschap had en nog heeft…
…Twee weken voor de eigenlijke werken, moest ik in opdracht van Jeannine al een eerste, lastige, karwei uitvoeren: Amerikaanse dollars omwisselen in Gourdes (nationale munt-eenheid van Haïti) in de bank. Op zich lijkt het bizar dat ik dit een ‘lastig’ werk noem. Waarom is dit lastig? Wel, omdat naar de bank gaan in Haïti steeds gepaard gaat wachten, lang wachten! Dat plus het feit dat de bank het dichtste bij Akil Samdi op 1 à 1,5 uur rijden ligt! Wanneer we voor TSL naar de bank moeten, worden we gelukkig steeds geholpen door Tika, de onderdirecteur. Toch is ook hij geen garantie op een efficiënte en snelle service. Toen ik de som van 2000,00 US$ wou omwisselen, las ik maar al te duidelijk op zijn gezicht af dat dit wel even kon duren. Na goed en wel drie kwartier werd ik geroepen om het Haitiaanse geld in ontvangst te nemen. ‘Weer even lastig doen,’ dacht ik toen ik de briefjes zag. “Juffrouw,” begon ik tegen de bankbediende, “kan je deze grote briefjes van 1000 Gourde (ongeveer 20 EUR) niet in kleinere briefjes geven a.u.b.? Het is om lonen voor Haitianen in een project uit te betalen en dat doen we graag met gepaste munt.”. Gelukkig kon ik de grote briefjes omruilen, want zo’n groot geld, kunnen de mensen in het dorp nauwelijks verhandelen. Dit is een van de economische problemen in onze streek (het noordoosten): de mensen hebben klein geld nodig, maar dat wordt slecht behandeld (gescheurd, zwart van de houtskool,…) Dus dat moet met regelmaat uit de omloop gehaald worden voor vernietiging en daardoor blijven enkel de grotere briefjes over, maar in de afgelegen regio’s kan niemand deze wisselen voor kleinere briefjes. Een vicieuze cirkel dus, één van de vele! Maar goed, het geld lag klaar voor de werken…
…Maandagmorgend 26 juli verzamelde zich een massa mensen, vrouwen en mannen, voor de poort van het project en tussen 4 vrachtwagens. Er waren mensen die op voorhand door ons al gevraagd waren om te komen werken, maar er waren ook mensen die niet op de werklijst stonden en hun kans waagden voor werk. Eerst werden de mannen met de voorhamers en de vrouwen die op de lijst stonden apart gezet, om de aanwezigheden efficiënter op te kunnen nemen. De mensen die hun kans waagden, moesten wat verder wachten totdat het afroepen van de ‘gelijsten’, afgelopen was. Ondertussen begonnen er verschillende zaken voor de poort van TSL te verschijnen: motortaxi’s, een klein restaurantje (wat wij daaronder verstaan in Haïti natuurlijk), verkoopsters van drank en snacks, nieuwsgierige kinderen, enz. Kort daarop een eerste typische probleem bij dit soort grote werken. Bij het afroepen van de namen ging af en toe iemand al naar de vrachtwagen zonder dat haar naam afgeroepen was. Ook waren er mensen die bij het horen van hun naam niet met ‘present’ reageerden, maar wel naar de vrachtwagen liepen, of gewoon bleven staan. “Iedereen terug uit de vrachtwagen, we beginnen opnieuw!” riep een gezagvoerende Jeannine. Haar beslissing bleek uit verschillende factoren te bestaan, waarvan de hierboven beschreven situatie één was. Verder bleek dat, ondanks het feit dat we dit meerdere keren gevraagd en uitgelegd hadden, niet alle mensen op de juiste plaats stonden. Zo stonden er mensen die op de lijst stonden bij de mensen die nog niet opgelijst waren en vise versa. Uiteindelijk werd ook dit euvel, met de nodige drukte en moeite, verholpen. Al snel drong een volgend probleem zich op: de mensen die nog niet zeker waren van een job die dag, begonnen steeds meer en meer naar voren te drummen en maakten daarbij enorm veel kabaal, waardoor het afroepen van de namen niet vlot meer kon verlopen. “En als het nu niet stil genoeg en ordentelijk kan krijgt niemand hier nog werk!”, riep Jeannine en alles werd terug kalm. De aanwezigheden konden verder in alle rust opgenomen worden en al snel zaten de ‘opgelijsten’ op de vrachtwagen…
…Eenmaal dit gedaan konden we ons over de anderen ontfermen. Jeannine had de nacht ervoor een kaartje afgeprint, dat dienst deed als betaalkaart voor het loon achteraf. Tijdens het uitdelen van deze kaarten brak er een ware massahysterie uit, alsof men plots een paar miljoen dollar aan het uitdelen was. Om het trekken en duwen te beperken werden de vrouwen ordentelijk op twee rijen achter de poort binnen het projectterrein geplaatst. zo zou het tellen veel vlotter en eenvoudiger gaan, zonder geduw en getrek om zo’n kaartje te bemachtigen. Het tellen was ook belangrijk om de vrachtwagens niet te overladen. Alle vrouwen hadden werk! Net daarvoor gaf één van de mannen, die nog steeds voor de poort stonden te wachten, de opmerking: “Zie die vrouwen daar nu eens staan, precies gevangen.”. Me zeer goed bewust van het verwijt, gaf ik deze man, al grappende, volgende repliek: “Neen meneer, die vrouwen daar geven juist het goede voorbeeld aan de mannen!”. Algemeen gelach en een kleine bom ontmanteld… vooral omdat ze ook in de rij mochten gaan staan en ook werk kregen. “Vandaag krijgt iedereen een beurt”, zei Jeannine, “al was het in onze eigen tuin!”
…Kort daarop vertrok de colonne. Ik ging met de fiets achterna en dacht bij het zien van die vier vrachtwagens:’In België zou elke vrachtwagen een plaat met convoi exceptionelle gedragen hebben.’. Op de weg naar Pewalt (de weg die we verder onder handen zouden nemen), pikten we de nodige ‘wòch ravèt’ (lavasteen) op. Tot vorig jaar lagen die stenen er maar, tussen de akkers en in de savanne. Sinds TSL ze gebruikt om de weg te bewerken, zie je iedereen rond het dorp hoopjes lavasteen voor hun huis verzamelen, in de hoop dat TSL ze zal opkopen voor de heraanleg. Letterlijk een hoopje hoop dus, en hoop doet leven, zo blijkt, want waar vroeger open vlakten waren, zie je nu hopen stenen als muggenbeten op een gave huid verschijnen. De vrachtwagens houden halt en de mensen achteraan springen uit de laadbakken. Vol enthousiasme beginnen ze een steen op te rapen om die daarna naar de vrachtwagen te verplaatsten. “Mensen, wacht eens even.” roep ik. “Zo zijn jullie nog voor je de tweede keer gaat opladen doodmoe. Zouden we niet beter een menselijke ketting maken?” “Ja maar,” begon een van de vrouwen, “sommige stenen zijn zeer zwaar en moeilijk om omhoog te hijsen en in de vrachtwagen te gooien.”. Deze terechte opmerking losten we op door aan de uiteinden van de menselijke ketting een man te plaatsten. Op deze manier zouden ze op een vlot tempo kunnen opladen, zonder gevaar voor vallende stenen of vermoeidheid. Eenmaal de vrachtwagens volgeladen, kon de ‘convoi exceptionelle’ haar weg verder zetten, met een jonge blanke krullenbol erachteraan fietsende…
…Eenmaal in Pewalt aangekomen, werden de stenen gelost. Daarna schoten de mannen met de voorhamers in actie, want sommige stenen zijn te groot en zouden alsnog voor een onberijdbare weg zorgen. Eens de stenen op de juiste grootte, zouden de vrachtwagens, auto’s en motortaxi’s die later wel vast in de grond rijden. Daarna terug op weg om een volgende lading stenen. Ook ik terug mijn fiets op, de vrachtwagens achterna. Eenmaal daar reed ook Jeannine ons voorbij en stapte uit. Aangenaam verrast van het doorzettingsvermogen en het harde werk dat de vrouwen tot dan toe verricht hadden, zei Jeannine:’ Als we de vrachtwagens een derde keer om stenen kunnen laten rijden, verdubbel ik het loon. Deze bonus deed de vrouwen spontaan tot zingen uitbarsten, zoals Haitianen dit doen als ze met velen op een akker werken…
…Nu het financiële luik toch even aangehaald werd, wil ik graag het belang van dit project verduidelijken:
1. Voor levensmiddelen e.d. moet Jeannine sowieso elke week via Wanament (Haïti) de grens over naar Dajabon (Dominicaanse Republiek). Op slechte weg en met slecht weer kan dit al snel 1,5 tot 2 uur kunnen duren en tijdens het echte regenseizoen gebeurt het vaak dat het dorp Akil helemaal geïsoleerd geraakt. Met deze nieuwe weg zou de reisweg van Akil naar de geasfalteerde weg richting Wanament op 40 minuten geklaard kunnen worden. Daar komt nog bij dat TSL vaak zieken, geblesseerden, enz. naar het ziekenhuis in Wanament, Fò Libète of Kap Ayisyen wegvoert. Door de drastische verkorting van de reisweg kan deze weg het verschil maken tussen leven of dood!
2. Dat de reisweg sneller is zorgt op zich ook weer voor een vlotter commercieel verkeer (openbaar vervoer en taxi’s naar de markten). Dit resulteert op zich weer in meer inkomsten, want er zouden nu op sommige marktdagen wel eens meerdere heen-en weer reizen gemaakt kunnen worden!
3. Omdat dit niet de eerste keer is dat er aan deze weg gewerkt werd, werden al heel wat salarissen uitbetaald. Met deze gelden konden reeds, al dan niet jarenlange, schulden binnen en buiten het dorp betaald worden. Zo konden kleine commercanten grotere winsten boeken met hun zaakje, afbetalende huiseigenaars konden nu opgelucht adem halen omdat het huis eindelijk afbetaald was, bouwende mensen konden hun bouwkosten hiermee wat bijbetalen, ouders die om financiële redenen twijfelden of ze hun kind wel naar school zouden sturen hadden nu iets meer mogelijkheden om hun kinderen daar naartoe te sturen, enz.
4. De rotsen, nodig voor de weg, werden zoals eerder al vermeld door mensen verzameld. Deze rotsen werden aangekocht voor een zeer mooi bedrag, een graag meegenomen bron van inkomsten…
…In dit project werd reeds meer dan 30.000,00 EUR. geïnvesteerd! Donorgeld uit België is omgezet in een duurzame weg… een brokje maatschappijopbouw… een economische up-grade voor het dorp… Ik ben er gewoon “weg” van!
Kelvin, Pewalt, 28 juli 2010
27 jul 2010
I will survive...
Op 21 juli vierde België haar nationale feestdag. Niet dat het er iets toe doet in Haïti, maar je hebt op zo’n dag toch nog steeds de herinnering van toen je klein was: het militaire defilé, de toespraak, de feestelijkheid die er mee gepaard gaat. Hier in Port-au-Prince is er allesbehalve reden om te feesten…
…Ik was zeer vroeg wakker die dag, om welgekende redenen (zie vorig blogbericht). Toen we op vertrekken stonden kwam een zenuwachtige en licht geïrriteerde Jeannine ons tegemoet. Al snel werd duidelijk waarom: “Er wordt morgen gestaakt. Het kan er hard aan toegaan. Ik wil geen risico’s nemen, we zullen vandaag enkel de belangrijkste zaken afwerken en bespreken. Mijn besluit staat vast, vanmiddag nog vertrekken we terug naar Akil”. Ik dacht bij mezelf:’ Ja jongens, we zijn de stad nog niet binnen of er zijn al problemen te bemerken. Dit kan alleen maar betekenen dat het in de stad zelf ondoenbaar moet zijn…
…Als eerste stond er een bezoek aan een tentenkamp op het programma. Daar zouden we een pakket afgeven aan een familie, een geschenk van de adoptiemoeder van één van de zusjes in België. Op weg naar het kamp kon ik mijn ogen haast niet geloven: overal in de stad tentenkampen en op verschillende plaatsten stonden mensen in rijen van tientallen meters lang op voedsel te wachten. We reden langs Sité Solèy, de beroemdste en beruchtste sloppenwijk van Haïti. “Vreemd toch,” dacht ik, “Dat juist hier grote voedselbedelingen gedaan worden en er hier grote tentenkampen staan. De aardbeving heeft hier nauwelijks schade aangericht.”…
…We kwamen op onze bestemming aan. We stonden voor een fabriekspoort. Eerst even overleggen met de bewakers, dan mochten we erin. We gingen de poort door en kwamen uit op groot, open plein. Daarachter zagen we, zeer ongestructureerd, het begin van het tentenkamp. Pontien, een medewerker van TSL in de hoofdstad, zou de familie die we zochten voor ons opzoeken. Hij gaf het teken dat we hem moesten volgen. Wat daarop volgde zal ik nooit vergeten…
…Vanop een afstand bekeken zag dit kamp er nog aanvaardbaar uit, eenmaal er middenin leek het of ik in een oorlogsgebied terecht gekomen was. We stapten een smalle, modderige ‘passage’ in, en liepen een man in een jurk voorbij. Waarschijnlijk het enige stuk kleding dat hij nog had? Aanvankelijk had hij nog niet gezien dat wij voorbij kwamen, hij was dan ook druk bezig om met kleine stukjes afvalhout iets in elkaar te zetten. Een vriendelijke ‘bonjou’ deed hem even opkijken. Een getekend gezicht keek op en groette ons terug met “Bonjou blan, Komen jullie ons HIER bezoeken?!.”. Het woord ‘blan’ deed uit de andere provisorische tentjes, één voor één meerdere hoofden verschijnen. De tenten in dit kamp zijn dit woord nauwelijks waardig. Het zijn eerder een paar houten palen met een ijzeren golfplaat erop met een plastieken zeil als bescherming tegen regen, wind & zon. Vloerbedekking is er nauwelijks. Stilletjes aan raakte de passage vol met mensen. Hierdoor moesten we goed opletten waar we liepen want overal lag er slijk. Pontien, die al even voorop liep, kwam op zijn passen terug en gaf het teken dat we terug moesten. “Doordat er meer mensen bijgekomen zijn, vind ik het huis van de familie niet terug. En daarbij, verderop ligt het vol slijk vermengd met uitwerpselen.”
‘Uitwerpselen, dat is wat ik hier al een tijdje ruik!’ dacht ik. We keerden ons om, en maakten aanstalten om terug te keren, wanneer een jonge man ons groette. Ik groette hem beleefd terug en gingen verder. Ondertussen was het goed druk geworden in de passage: een vrouw liep ons voorbij met een teiltje vol producten om op de markt te verkopen, mensen die in alle richtingenhun weg zochten, enz. Een kort gesprek deed ons halt houden. Ik keek even rond en zag de jonge man, die ik net nog groette, door een opening in de tent naast de zijne kijken. Kort daarop verdween zijn hand in diezelfde tent. Hij haalde één voor één stukjes baksteen uit de tent, om die mee te nemen naar de zijne.
Een groep jongen vrouwen sprak ons aan: ‘Of we niets voor hen te eten hadden’. We antwoorden hen: “Hebben jullie dan helemaal geen familie op het platteland waar jullie eten zouden kunnen krijgen door mee het land te bewerken?” “Jawel hoor,” was hun antwoord.” Verbaasd vroegen we waarom ze daar dan niet naartoe gingen i.p.v. in deze miserabele situatie te verblijven. Op het platteland is allicht voedsel, en door de extra hulp in de tuin, kan de opbrengst zelfs verhogen. Hun reactie sloeg ons met verbazing:”Daar komen we juist van terug!” Hierop verlieten we het kamp, om terug te verzamelen op het fabrieksplein. ‘Die mensen hebben dus hun zekerheid op een dagelijkse maaltijd opgezegd om hier elke dag op verschillende plaatsen om eten te bedelen?’, dacht ik verwonderd. Toch konden we niet vertrekken zonder het pakket af te geven. Na lang vragen en zoeken vonden we de familie uiteindelijk toch en konden we het pakket doorgeven. (Over het hoe en waarom van de familie Bazar, krijgen jullie in een volgend bericht meer info)…
… Tijdens onze zoektocht vroegen we aan een van de inwoners of hij de familie Bazar kende?’ Neen, daar kon hij niet op antwoorden, hij was hier zelf maar sinds gisteravond, uit een dorp in de provincie! Uit deze reactie en die van de vrouwen daarvoor, konden we afleiden dat er i.p.v. decentralisatie van de hoofdstad, terug centralisatie aan de gang was. Iedere Haitiaan ruikt het geld dat volgens hen in de hoofdstad aanwezig is. En natuurlijk wil iedereen, ook zij die niet getroffen zijn, wel een kruimel van die miljardenkoek die naar Haïti opgestuurd werd. Jammer dat er van die miljardenkoek nauwelijks een kruimel uitgedeeld is, en dat zes maanden na de beving. Vandaar dan ook de grote staking op 22 juli…
…We stapten terug in de auto. De stilte waarmee dit gebeurde stond in schril contrast met de broeierigheid van de stad. We reden verder de stad in en op de radio was heel zacht ‘I will survive’ te horen. Hierom moest ik in eerste instantie lachen, maar eenmaal we de ingestorte huizen en het ene tentenkamp na het andere passeerden, werd dit nummer wel degelijk bittere ernst…
… Om de voormiddag Port-au-Prince af te sluiten, trokken we naar hotel Orloffson. Om daar de opgedane emoties, bedenkingen en frustraties te uiten. Met Jeannine en Pontien besprak ik de huidige situatie in vergelijking met hoe zij ze kenden kort na de aardbeving. Daaruit bleek al snel dat de hoofdstad er nu erger aan toe is dan in januari zelf. De allereerste noodhulp werd dus geleverd in de vorm van dokters e.d. om mensen uit het puin te halen en wat te opereren, maar nu is er nauwelijks steun te bemerken. Wat anderzijds wel opviel was het feit dat bijna alle hotels voor één of meerdere maanden afgehuurd waren voor verschillende buitenlandse organisaties. Of die hulpverleners hun opdracht echt kunnen uitvoeren is maar de vraag natuurlijk. Blijkbaar zijn de Haitianen al zover dat ze munt slaan uit de situatie. Mensen die nog nooit van de hoofdstad gehoord hadden komen nu massaal daar naartoe om overal bij de voedselbedeling aan te schuiven. Dat wat ze over hebben verkopen ze dan op de markt. En zo zijn er nog tal van voorbeelden, te veel om op te sommen…
… Het was dan dat ik terug dacht aan dat nummer op de radio. Haitianen zijn vanuit hun situatie altijd al gedoemd geweest vindingrijk te zijn, en inderdaad, ze zullen wel ‘over-leven’, maar leven is dat niet! Vroeger noemde men Haïti ‘perle des antilles’, nu mag je gerust zeggen ‘perle du misère’.
24 jul 2010
23 jul 2010
Met een bang hart…
Pòtoprens (Port-au-Prince). Om deze stad draait het nu in het buitenland wanneer men spreekt over Haïti. Al bij de aankomst twee weken geleden werd de door mij gestelde traditionele vraag: “Hoe gaat het met jou?” aangevuld met: “En heb je familie/vrienden verloren bij de beving?”. Nu is het dan zover, we rijden de hoofdstad tegemoet, om met onze eigen ogen de gevolgen van 12 januari 2010 te zien en te verwerken …
… We vertrokken in Akil rond zes uur in de ochtend. Ik kende de weg al min of meer en wist dat het een lange en zware toch zou worden. Tot in Kap Ayisyen (Cap Haïtien) ging het vlot maar bij het tankstation daar, merkte Venèl (onze chauffeur) dat één van de banden lucht afliet. Een kleine panne: snel de band laten dichten en terug op weg…
…Wanneer we Gonaïve naderen werd weer maar eens duidelijk hoe weinig de Haitiaanse overheid hier opgebouwd heeft na de cyclonenramp van 2008! Ik merkte bij mezelf, hoe dichter we deze provinciestad naderden, meer en meer een inwendig ergernis omwille van de huidige situatie daar. Hoe kon het ook anders, eind 2008 (kort na de cyclonen) en begin 2009 reed ik deze stad nog voorbij en wist dus wat voor schade hier geleden werd. Toegegeven, de modder was weggeruimd en naast een ingezakte brug werd een nieuwe gebouwd. Kanalen werden terug getrokken, rivierbeddingen hier en daar versterkt en zelfs binnen de stad waren de tenten verdwenen (misschien wel omdat deze nu in de hoofdstad dienst doen?). Buiten deze zaken merkte ik vooral het grote aantal projectborden op, die één na één langs de kant van de grote weg verschenen. Deze borden beloven de komst van de mooiste huizen, nieuwe kanalen, centraliserende bureaus, enz. Ik drukte deze vaststelling uit tegen Venèl, die dit ook op eenzelfde manier opmerkte: “Ja, ze denken waarschijnlijk dat die borden het werk voor hen gaan doen.”. Ik dacht bij mezelf: ‘Erg dat je zoiets over je eigen volk, je eigen landgenoten, moet zeggen. Niet moeilijk dat Haitianen elke mogelijkheid om naar het buitenland te trekken met handen, voeten en tanden tegelijk grijpen.’.
We verlieten Gonaïve en volgden nog steeds de route nationale #1, zeg maar de E17 van Haïti. Pas op mensen, stel u geen volledig geasfalteerde weg voor met aan elke zijde 3 baanvakken. Neen, een brede weg (één baanvak heen, één terug), deels geasfalteerd (vaak met gaten) en deels een stoffige weg (ook met de nodige putten en bulten). Gelukkig zijn ze deze weg volledig aan het heraanleggen. Zodat we hopelijk binnen een goed jaar volledig op asfalt naar Port-au-Prince kunnen. Wij bevonden ons op het niet-geasfalteerde stuk wanneer ik, in gedachte verzonken, lichtjes aan het indommelen was. Plots bracht een knal, geschok en een indringende geur ons tot stilstand…
…”Pan katsjou”, zeiden Venèl, Junel en ik in koor. Een klapband. Eerst Jeanine verwittigen, want die reed al een tijd een eindje voor ons. ‘Goed, de handen uit de mouwen’, dacht ik en samen met Junel legde ik de krik klaar. We stonden op een verlaten stuk weg, maar gelukkig nemen we elke keer een reserveband mee, een noodzakelijk voorwerp als je je hier verplaatst. De kapotte band werd achteraan de pick-up geplaatst en de nieuwe erop geplaatst. Even de handen wassen en terug de weg op. Een muziekje werd opgezet en we konden zonder verdere problemen onze weg verder zetten tot aan het restaurant waar we ons middageten zouden nuttigen. Twee derden van de reisweg lagen al achter ons. Ook al zat ik niet zelf achter het stuur, toch zette ik me uitgeput neer aan de tafel. Tijdens het eten voelde ik precies de grond bewegen. ‘Een beving?!’, flitste het heel even door m’n hoofd.’. Neen, mijn lichaam heeft weldegelijk een stabiele grond onder zicht, maar mijn hoofd zit nog op de met putten en bulten gevulde weg…
… 4u38, we zetten onze weg verder. Venèl wees naar de autoklok en merkte nuchter op dat dit het uur was wanneer de aarde beefde in januari. Kort daarop groeide het besef dat ik op het punt stond de stad binnen te rijden, waar ik vorige jaar met mensen gelachen, gepraat, gedanst, enz. heb. Een aantal van die mensen zal geen van deze activiteiten meer doen, nooit meer! Bij deze gedachte begon mijn hart in mijn keel te bonzen. We naderden de stad, maar waren nog steeds in een regio waar vorig jaar enkel berglandschappen te zien waren. Nu reden we hier al het ene na het andere tentenkamp voorbij. Op de radio speelde muziek waarin de zanger zong over hoe mooi Haïti wel is en hoe zacht het er wel niet is om er te leven. Kort daarop reden we de voorstad van Port-au-Prince binnen…
…We reden het hotelplein binnen, zochten de gereserveerde kamers op en aten nog iets kleins. Een slaapmutsje sloot voor velen de avond af. Ik ging naar mijn kamer, op de bovenste verdieping, en legde me op het bed. Ik keek recht op het plafond en in een fractie van een seconde flitste het door mijn hoofd:’Stel, ja stel nu eens dat deze nacht de hoofdstad nog eens opgeschud wordt, heb ik dan kans om hier levend uit te geraken?’ Deze gedachte kwam in me op, omdat ik al zoveel verhalen hoorde van mensen die er op die fatale dag bij waren. ‘Neen, mijn overlevingskansen zijn beperkt hier op kamer 126 op de tweede verdieping.’. Met een bang hart keek ik nog 5 minuten naar het dak, dat schuin naar beneden naar me toe liep…
Een bang hart voor deze nacht, maar ook voor wat ik nog zal zien de komende dagen.
Kelvin, Port-au-Prince, 20 juli 2010
18 jul 2010
Sa se Ayiti
Katrijn, één van de bezoekers hier, werd vorige week serieus gebeten door de muggen. Aangezien haar enkel heel erg aan het opzwellen was, drong een doktersbezoek zich op. ‘Even de Cubaanse dokters opzoeken in Fó Libète’, zo dachten we…
… Wij dus de auto in, richting Fó Libète. Bij ons zou een doktersbezoek minder dan een uur in beslag nemen, hier in de tropen is dat andere koek. Na goed één uur rijden, komen we in de provinciehoofdstad aan. Eerste werk was het huis van de Cubaanse dokters opzoeken. We klopten aan, in de wetenschap dat Katrijn snel door een arts zou worden geconsulteerd…
…Niets horen we, geen gestommel, geen sleutels, zelfs geen gezucht omdat er iemand op de vrije zondag aanklopt. Verbaasd vroegen we de buren waar de dokters waren. “Die zijn er niet”, zeiden ze. Goed, we verplaatsten ons naar het ziekenhuis, in de hoop de dokters daar te vinden. Eenmaal daar moesten we nogmaals beseffen dat de dokters niet aanwezig waren. “Zijn er dan Haitiaanse dokters aanwezig?”, vroegen we. Ook daarop kregen we een negatief antwoord…
… Dan maar terug naar het Cubaanse huis. Daar probeerden we nog eens op de deur te kloppen. De buren vulden hun vorige dialoog aan: “… zijn naar een vergadering.”. Ik denk bij mezelf: ‘Potverdorie, dit is weer typisch Haïtiaans, hadden ze ons dat niet de eerste keer kunnen zeggen? Dan was onze verdere zoektocht in het ziekenhuis niet nodig geweest.’. Hoe dan ook, ze mogen dan wel naar een vergadering gaan, waarom bleef niet één ‘dokter van wacht’?! Zo denken wij, als westerlingen, toch. Het besef groeide bij ons allemaal dat ALLE dokters uit Fó Libète, zowel de Cubanen als de Haïtianen, naar de vergadering waren. Onze chauffeur, Reynold, zei daarop het volgende: “Stel je nu maar eens voor dat er iemand een zwaar ongeluk doet, wat gebeurt er dan met de gewonde mensen?!”. We reden weg van Fó Libète, richting Wanament, een twintig km verder. Ik keek even op mijn horloge: ‘dju, we zijn al één en een half uur lang op weg naar een dokter’…
… Omwille van onze goede relatie met hen, zochten we in wanament ook eerst de Cubaanse dokters op. Maar ook nu stonden we voor een gesloten deur. Daarop trokken we maar naar het ziekenhuis, de laatste mogelijkheid. Maar helaas, ook hier kregen we het verhaal van de vergadering te horen, Gelukkig voor Katrijn was er wel‘dokter van wacht’ aanwezig. Oef, eindelijk hadden we een dokter gevonden. Hij vroeg ons even te wachten en dan zou hij naar Katrijns voet kijken. Dan besefte ik plots dat ik geen van mijn steriele spuiten uit België bij me had, voor het geval dit nodig zou zijn. Je weet maar nooit in de tropen. Ik vroeg dus maar aan Katrijn of zij er bij zich had, maar zij had er ook niet aan gedacht. Ik leg het probleem uit aan Reynold en hij zegt hierop: “In principe is alles hier wel in orde hoor. “Als ze zich echt niet op haar gemak voelt, kunnen we morgen nog wel eens terugkomen.”. Voor Katrijn was er alvast geen probleem. De dokter consulteerde haar en schreef een aantal medicijnen voor. ‘We zijn er bijna vanaf,’ dacht ik. ‘Nog even en we kunnen terug naar huis…
…We gaven ons doktersvoorschrift af in de apotheek tegenover het ziekenhuis. We vonden er op één item na alle medicijnen. We zochten één voor één alle apothekers af in Wanament, maar nergens vonden we het laatste voorgeschreven medicijn. Reynold stelde voor dat ik de grens zou oversteken en dat ik in de Dajabon (Dominicaanse Republiek), het nodige zou zoeken. Ik zei direct ja, maar eenmaal ik de grens over was en de grenspoort achter mij dichtklapte, besefte ik dat ik nauwelijks Spaans spreek en dat ik enkel mijn Haitiaanse verblijfkaart bij me had en wat geld. Gelukkig reed Marcelito mij met z’n moto voorbij. Op hem deden we al eens beroep om ons op marktdagen per taximoto te verplaatsen. Hij reed me naar de enige apotheek die op zondag open was, maar ook daar had men het nodige medicijn niet. Ik bedankte Marcelito voor de hulp en ging terug naar Wanament (Haïti). Zonder al te veel moeite raakte ik uit de Dominicaanse Republiek, maar eenmaal in Haïti hoorde ik achter mij een heel kordate stem roepen. “Ey blan, vin isit!” (Vreemde, kom eens hierlangs) Ik ging het douanegebouw binnen en na wat uitleg kon ik zonder probleem terug naar de auto. We reden terug richting Akil Samdi en in gesprek met Reynold over dit uitlopende doktersbezoek, zei hij: “Sa se Ayiti he!”, waarmee hij verwees naar het feit dat wat we meemaakten, dagelijkse kost is voor de Haitianen!
De enige troost was dat er thuis een lekker bord frieten ons opwachtte. Ik keek terug op mijn horloge en zag dat het al half twee in de namiddag was. De hele trip had in totaal 3u geduurd. ‘Even naar de dokter gaan’, bleek een overmoedige uitspraak geweest…
Kelvin, 15 juli 2010
10 jul 2010
internet
Beste lezers,
Het internet is geregeld, hout vasthouden, en ikzelf geraak meer en meer geacclimatiseerd aan het weer en het werk. De eerste weken waren een beetje mager wat berichtgeving betreft, dat geef ik graag toe.
Toch is dat hier vaak de realiteit. In dit land zou je ver vooruit moeten kunnen plannen, maar de situaties laten dit vaak niet toe. Ik zal vanaf volgende week iets meer berichten proberen te plaatsen. Ik zeg proberen want in grote hitten iets schrijven is vaak een helse taak.
Foto's zijn zeker nog op komst, dit zal terug te vinden zijn onder het item: 'bezoek Haïti en haar...' Dinsdag vertrekken we voor drie dagen naar Pòtoprens, de letterlijk en figuurlijk, gebroken hoofdstad. Verslag krijgt u hierover waarschijnlijk het weekend daarop volgend.
Ondertussen vele groeten vanuit Akil Samdi
Kelvin 18 juli 2010
Kalmte … Stress … Kalmte: het ritme van een dag.
Daar waren we dan eindelijk weer terug op het eiland dat door Christofel Colombus Hispaniola genoemd werd, en dat vandaag meer bekend is voor haar idyllische stranden dan voor haar zware, maar rijke verleden.
Toch zijn het niet de stranden, de hotels en de rust die ik hier opzoek, maar de mensen die op een deel van dit eiland wonen. Want ondanks de aanwezigheid van alles wat wij als westerlingen opzoeken om ons ‘goed’ te voelen, kan een groot aantal van de eilandbewoners nog niet genieten van wat wij “mochten consumeren” wanneer we het als toerist verlaten, vreemd toch?!
Toch was het aankomen en overnachten in de Dominicaanse Republiek zeker geen overbodige luxe, zeker omdat de weg naar Haïti lang is en steeds vol verrassingen zit. Al bij de aankomst op de luchthaven was dit te merken. Ondanks de hartelijke ontvangst, merkte ik bij Jeannine een zekere spanning. Even later, in de wagen, kwam ik achter de reden van deze spanning. De nieuwe wagen, zo broodnodig voor het project, geraakte maar niet uit de douane in Port-au-Prince. Diezelfde douane verdiende al heel wat aan deze wachttijd, ze deinsden er zelfs niet voor terug om de projectmedewerkers van TSL ter plaatste voor te liegen! Daar komt natuurlijk nog het zware werkjaar, na de aardbeving, voor het project bij. Gelukkig zou de auto er nu toch doorkomen om ons te kunnen opwachten aan de grens. Zo kon iedereen (Jeannine en haar medewerkster Carmelle, de kinderen Nelson, Jetro en Charline, de medereizigsters Laura en Katrijn & ikzelf) toch wel wat genieten van een dag verdiende rust!...
… De volgende dag. We staan op vertrekken. Rustig wacht ik op Jeannine en de anderen om uit te checken totdat ik Jeannine, eerder gespannen, zie rondlopen. “Reynold telefoneerde me net, hij komt ons toch nog met een andere wagen halen aan de grens. De douane heeft weer eens nieuwe papieren nodig, dit is toch niet meer normaal!”, zegt ze zeer geïrriteerd. Je zou voor minder natuurlijk! ‘De toon voor onze trip is alvast gezet,’ denk ik…
…Nu sluit de grens aan de Dominicaanse zijde om 16u. De taxichauffeur die ons allen vervoerde, reed bijzonder traag. Jeannine, die alle bagage in haar auto had, weet dat de grens op tijd kan sluiten en dat er op de weg naar de grens heel wat militaire controleposten zijn die sinds de kidnapping van Haitiaanse kinderen, kort na de aardbeving, strikter zijn geworden! En wij hadden 3 Haitiaanse kinderen in de taxi zitten. Na een 10-tal minuten bevond Jeannine zich al een heel eind voor ons en was ze uit het zicht verdwenen. Wij bleven verbaasd verder tuffen aan een snelheid van 80km/u. Opeens hard op de remmen…
…Jeannine stapt uit, grote gebaren makende. “Is dat werkelijk de enige snelheid die je kan aanhouden?”, zei ze geïrriteerd tegen de chauffeur. Er wordt nog het een en ander gezegd, maar mijn Spaans reikt zover niet. Toch bleek dit effect te hebben, de snelheidsmeter ging nu van een gemiddelde snelheid van 80km/h naar 100 km/u! Maar of we de grens nog op tijd zouden halen was nog steeds de vraag. Het was al 15u en we moesten nog 2/3 van de reisweg afleggen…
…16u15, we komen aan in Dajabòn, het grensstadje met Haïti. Bekenden van Jeannine gebaren dat we vlug onze paspoorten voor de nodige stempels moeten indienen… Na ons gaat de Dominikaanse poort dicht. In het Haïtiaanse kantoor vullen we al even snel het document voor ons visum in… Reynold wacht ons op met het goede nieuws dat hij de volgende dag de auto mag ophalen, de douane geeft hem vrij! Alle stress valt weg als een opklaring na een zware storm. Er kan zelfs gegrapt worden met de douane in Haïti. We zetten onze weg verder en we rijden, met een regenboog naast ons, Akil Samdi tegemoet…
… Hoe een stresserende dag toch nog rustig kan eindigen. Het ritme van het leven hier, in een project. En ik denk bij mezelf ‘Ik ben duidelijk weer terug in Haïti’.
5 jul 2009
20 jun 2009
De Theo’s – intermezzo met een ‘maar’
Zoals jullie konden lezen verbleef de tweeling al een tijdje bij ons. Aangezien de gastjes veel verbeterden werd het tijd om uit te kijken naar adoptieouders. Hoe sneller we die vinden, hoe vlugger de gastjes een echte ‘thuis’ zouden krijgen. Jeannine contacteerde een verpleegster, Miss Albert, die al vaker had meegeholpen om een goede adoptiefamilie aan te spreken.
En inderdaad, ze had al een echtpaar met interesse gevonden en vermits we in het nabije hospitaal de kinderen zouden testen op HIV was het een mooie gelegenheid voor een toekomstige papa (die dichtbij het hospitaal werkt), om de kinderen eens te zien. Toen hij Theolin zag was hij volledig weg van hem. Dit gevoel werd nog versterkt toen dat ventje naar de motosleutels greep en ermee begon te spelen. Theomar zouden wij zelf nog een paar weken langer houden om hem nog meer aan te sterken. Hij was er immers het ergste aan toe. Daarna zou ook hij naar een goede familie gaan, meer dan waarschijnlijk zou hij de broer worden van Roselore, het kind dat we drie maanden geleden verzorgden en voor wie we een fijne adoptiefamilie vonden …
Natuurlijk brachten wij na het hospitaalbezoek de familie op de hoogte. Aanvankelijk was de grootmoeder, bij wie de gastjes verbleven, akkoord. Wij dus blij en vol goede moed werd het werk om de kinderen aan te sterken verder gezet…
…Maar…
Zoals altijd in Haïti gebeurt dan het onverwachte. Een paar dagen nadat we de grootmoeder op de hoogte brachten van de evoluties, belde de familie dat ze niet meer akkoord waren met de adoptie. Een van de ooms van Theolin en Theomar deed moeilijk over het feit dat de familie niets zou verdienen aan het feit dat de kinderen geadopteerd werden. Zijn vraag was duidelijk: “En wat is ons voordeel aan dit alles?”.
Hoe frustrerend! Met zo’n argumenten van de familie viel meteen het adoptieplan weg.En die oom begrepen we al helemaal niet meer. Zelf had hij geen middelen om de kinderen op te voeden, hij had er trouwens nog nooit aandacht aan gegeven.... Maar nu wou hij de kinderen wel gebruiken om een handeltje op te zetten.... een lange palaber begon tussen de oom, jeannine, Veronique en de grootmoeder.... Jeannine was duidelijk: bij adoptie neem je volledig afstand van een kind en er wordt absoluut in dit geval over geen geld gediscuteerd. Welke wending het gesprek ook nam en welke voorstellen er ook aan bod kwamen, de slotsom was telkens weer opnieuw... en wij, wat krijgen wij????
Jeannine loopt een paar keer op en neer, praat Nederlands tegen me dat de zaak absoluut niet zuiver zit en dat ze een fairplay wil houden tegenover de adoptieouders.... dan hakt ze de knoop door.... “gaan jullie zelf terug voor de kinderen zorgen... dit centrum doet niet aan kinderhandel!”... We hielden ons stoer, maar allen hadden we verdorie veel pijn in ons hart! Iedereen was de week erop stil en geëmotioneerd! Het was alsof het niet klopte, het zo niet mocht zijn …
…Maar…
Net toen we probeerden verder te doen met het werk dat we voorheen deden, kreeg Veronique een telefoontje. De oom bleek dan toch uiteindelijk akkoord! Oef! Maar laat ons vooral niet te vroeg juichen, laat ons eerst maar eens ter plaatse gaan kijken en duidelijke afspraken maken. Dus ik mocht met Veronique en twee motars richting het huis van de grootmoeder. Voor we vertrokken zei Jeannine nog tegen ons: “Laat ons hopen dat ze niet al te ver achteruitgegaan zijn!”. Dus vol spanning ploeterden we onszelf door de met slijk bedekte wegen…
Aan de laatste bocht, hielden we de adem in… “Zie jij al iets Veronique?” …
Och kijk, daar loopt Theolin al, in zijn blootje, de kleren die we meegaven waren of in de was of ‘verloren’? Hij kijkt op, ziet ons, en op zijn gezicht staat iets van opluchting te lezen. Het huisje van de grootmoeder, dat toch al meer weg had van een krot dat middenin een storm had gestaan, had nu ook nog eens de helft van het dak verloren. De kinderen zagen er terug erg hongerig uit maar ze herkenden ons nog, dat was toch al positief.
Bon, we zetten ons neer en Veronique zorgt er voor dat alles klaar en duidelijk is voor de familie. Ondertussen doen we de tweeling een pamper en een onderbroekje aan. Tja, als Jeannine ons die niet had meegegeven, hadden ze in hun blootje teruggekeerd naar het centrum. Eenmaal alles duidelijk, stappen we de moto op en Veronique en ik nemen elk een kind bij ons. Terug door de slijk, de putten, de bulten, de stenen, het zand,… Ondertussen het kind goed vasthoudend, “Stel dat het valt!?”!...
We komen aan in het centrum. De drie residerende kinderen (Jetro, Charline en Nelson) wisten nog steeds niet waarom we weg waren. Nelson ziet ons de oprijlaan opkomen. Eerst ziet hij enkel mij, maar dan, als we naderen, is hij verbazing alom en zie ik een enorme glimlach op zijn gezicht, een glimlach van opluchting… “Jetro, JETRO! Ze zijn terug! Ze zijn terug!”, roept hij terwijl hij het op een lopen zet richting hoofdgebouw. Op de tijd die je nodig hebt om met je ogen te knipperen staan ze daar alle drie de twee Theo-tjes op te wachten. Al snel volgen de buren van het project en Leonne. Iedereen is toch zo opgelucht dat ze terug zijn. Nu volgt er terug een periode van krachten opbouwen, spelen, leren en hopelijk daarna de uiteindelijke adoptie…
Op zaterdag 21 juni krijgt Theolin zijn nieuwe ouders!... En Theomar, die verbazend snel recupereerd zal zelf ook vlug een mooie toekomst krijgen.... er is geen “maar” meer die dit nog verhinderen kan!
En inderdaad, ze had al een echtpaar met interesse gevonden en vermits we in het nabije hospitaal de kinderen zouden testen op HIV was het een mooie gelegenheid voor een toekomstige papa (die dichtbij het hospitaal werkt), om de kinderen eens te zien. Toen hij Theolin zag was hij volledig weg van hem. Dit gevoel werd nog versterkt toen dat ventje naar de motosleutels greep en ermee begon te spelen. Theomar zouden wij zelf nog een paar weken langer houden om hem nog meer aan te sterken. Hij was er immers het ergste aan toe. Daarna zou ook hij naar een goede familie gaan, meer dan waarschijnlijk zou hij de broer worden van Roselore, het kind dat we drie maanden geleden verzorgden en voor wie we een fijne adoptiefamilie vonden …
Natuurlijk brachten wij na het hospitaalbezoek de familie op de hoogte. Aanvankelijk was de grootmoeder, bij wie de gastjes verbleven, akkoord. Wij dus blij en vol goede moed werd het werk om de kinderen aan te sterken verder gezet…
…Maar…
Zoals altijd in Haïti gebeurt dan het onverwachte. Een paar dagen nadat we de grootmoeder op de hoogte brachten van de evoluties, belde de familie dat ze niet meer akkoord waren met de adoptie. Een van de ooms van Theolin en Theomar deed moeilijk over het feit dat de familie niets zou verdienen aan het feit dat de kinderen geadopteerd werden. Zijn vraag was duidelijk: “En wat is ons voordeel aan dit alles?”.
Hoe frustrerend! Met zo’n argumenten van de familie viel meteen het adoptieplan weg.En die oom begrepen we al helemaal niet meer. Zelf had hij geen middelen om de kinderen op te voeden, hij had er trouwens nog nooit aandacht aan gegeven.... Maar nu wou hij de kinderen wel gebruiken om een handeltje op te zetten.... een lange palaber begon tussen de oom, jeannine, Veronique en de grootmoeder.... Jeannine was duidelijk: bij adoptie neem je volledig afstand van een kind en er wordt absoluut in dit geval over geen geld gediscuteerd. Welke wending het gesprek ook nam en welke voorstellen er ook aan bod kwamen, de slotsom was telkens weer opnieuw... en wij, wat krijgen wij????
Jeannine loopt een paar keer op en neer, praat Nederlands tegen me dat de zaak absoluut niet zuiver zit en dat ze een fairplay wil houden tegenover de adoptieouders.... dan hakt ze de knoop door.... “gaan jullie zelf terug voor de kinderen zorgen... dit centrum doet niet aan kinderhandel!”... We hielden ons stoer, maar allen hadden we verdorie veel pijn in ons hart! Iedereen was de week erop stil en geëmotioneerd! Het was alsof het niet klopte, het zo niet mocht zijn …
…Maar…
Net toen we probeerden verder te doen met het werk dat we voorheen deden, kreeg Veronique een telefoontje. De oom bleek dan toch uiteindelijk akkoord! Oef! Maar laat ons vooral niet te vroeg juichen, laat ons eerst maar eens ter plaatse gaan kijken en duidelijke afspraken maken. Dus ik mocht met Veronique en twee motars richting het huis van de grootmoeder. Voor we vertrokken zei Jeannine nog tegen ons: “Laat ons hopen dat ze niet al te ver achteruitgegaan zijn!”. Dus vol spanning ploeterden we onszelf door de met slijk bedekte wegen…
Aan de laatste bocht, hielden we de adem in… “Zie jij al iets Veronique?” …
Och kijk, daar loopt Theolin al, in zijn blootje, de kleren die we meegaven waren of in de was of ‘verloren’? Hij kijkt op, ziet ons, en op zijn gezicht staat iets van opluchting te lezen. Het huisje van de grootmoeder, dat toch al meer weg had van een krot dat middenin een storm had gestaan, had nu ook nog eens de helft van het dak verloren. De kinderen zagen er terug erg hongerig uit maar ze herkenden ons nog, dat was toch al positief.
Bon, we zetten ons neer en Veronique zorgt er voor dat alles klaar en duidelijk is voor de familie. Ondertussen doen we de tweeling een pamper en een onderbroekje aan. Tja, als Jeannine ons die niet had meegegeven, hadden ze in hun blootje teruggekeerd naar het centrum. Eenmaal alles duidelijk, stappen we de moto op en Veronique en ik nemen elk een kind bij ons. Terug door de slijk, de putten, de bulten, de stenen, het zand,… Ondertussen het kind goed vasthoudend, “Stel dat het valt!?”!...
We komen aan in het centrum. De drie residerende kinderen (Jetro, Charline en Nelson) wisten nog steeds niet waarom we weg waren. Nelson ziet ons de oprijlaan opkomen. Eerst ziet hij enkel mij, maar dan, als we naderen, is hij verbazing alom en zie ik een enorme glimlach op zijn gezicht, een glimlach van opluchting… “Jetro, JETRO! Ze zijn terug! Ze zijn terug!”, roept hij terwijl hij het op een lopen zet richting hoofdgebouw. Op de tijd die je nodig hebt om met je ogen te knipperen staan ze daar alle drie de twee Theo-tjes op te wachten. Al snel volgen de buren van het project en Leonne. Iedereen is toch zo opgelucht dat ze terug zijn. Nu volgt er terug een periode van krachten opbouwen, spelen, leren en hopelijk daarna de uiteindelijke adoptie…
Op zaterdag 21 juni krijgt Theolin zijn nieuwe ouders!... En Theomar, die verbazend snel recupereerd zal zelf ook vlug een mooie toekomst krijgen.... er is geen “maar” meer die dit nog verhinderen kan!
11 jun 2009
7 jun 2009
De Theo's: De kennismaking (tekst van Jeannine De Beleyr)
Het gebeurt wel vaker dat een vrouw opweg naar- of terugkomend van de markt met haar ezeltje het terrein van Ti Solèy Leve opkomt. Als je daar wat kan verkopen heb je meteen je geld cash. Meestal gaat het om fruit, groenten of een kip en handelt het keukenpersoneel het gepingel om de prijs en de koop af.
Ook haar ezeltje droeg de uit gras geweven zadeltassen, de links en rechts afhangende makouten die heel wat vracht kunnen bevatten. Bedeesd bleef ze voor de poort staan, wist niet goed hoe zich aan te melden, ze was hier nog nooit eerder geweest.
Geconcentreerd zaten de vijf Belgische studenten, Kelvin en ik te werken aan de evaluatie van de stage die op z’n einde liep. Aan Elifèt, de tuinverantwoordelijke, was de boodschap gegeven dat ik voor niets of door niemand wou gestoord worden, een opdracht die hij ernstig nam. Maar deze keer kwam hij toch de galerij op, gaf me in z’n eigenste gebarentaal een teken dat hij me nu wèl dringend nodig had. Toen daarop ook Veronique en Arlette kwamen aangehold wist ik meteen, hier was iets bijzonder aan de hand... “Of ik even kon meekomen, er staat een vrouw aan de poort met een ezeltje en in elke makoutenzak zit een kind, een heel klein kind...”
Ze sprak niet maar keek angstig naar de twee honden die met ons allen waren meegelopen. Ze leek zo’n zestig jaar, door de hardheid van het leven gekrompen, zoals vele vrouwen in Haïti te vlug te oud getekend zijn. Onze blikken verhuisden naar twee kinderhoofdjes die net niet in de makouten verdwenen... twee gezichtjes die al even angstig naar al die vreemde mensen keken. “Kom binnen, dan kunnen we naar de kinderen kijken....” zei ik in het Creools. “ M’n god, alles loopt mis met deze kinderen” zei ik in het Nederlands.
Pluimgewichtjes waren het, eentje kon al een paar pasjes zetten, het andere was te zwak om ook maar even recht te staan. Was het niet dat ze al hun tanden al hadden, dat hun handen en voeten groter waren, we hadden nooit kunnen geloven wat de grootmoeder, want dat was ze, over deze kinderen zei: “Ze zijn drie jaar en zeven maanden, ik weet het want ze zijn sinds hun twee maanden bij me en ik heb elke maand een streepje bijgeteld.”
De tweeling Theolèn en Theoma waren in het buurland geboren want daar hadden haar zoon en haar schoondochter naar werk gezocht. Toen kort na de bevalling beide ouders stierven, de oorzaak daarvan zal onbekend blijven (aids, tbc...???) nam een vriend de tweeling op die hen later bij de grootmoeder bracht... “ Ik heb gedaan wat mogelijk was”, zei ze, “maar nu ben ik aan het einde, totaal op... onlangs heb ik zelfs op de markt gestolen om ze toch wat eten te geven... ik heb nog kinderen, maar die wonen verderweg en hebben zelf al te veel kroost om te voeden... “
Twee kleine vuistjes grepen naar het brood dat Leonne bracht en ik voelde de blikken van de stagiaires en Kelvin met dezelfde vraag als drie maanden terug toen een andere vrouw met een ander kind naar hier kwam: “Wat kan je doen?” Het enige wat ik deed was teruglopen naar het andere gebouw waar ik een papje klaarmaakte... en waar ik alles op een rijtje zette... “volgende week vertrekken de stagiaires... er moet nog veel afgewerkt... wat laat het budget toe om deze vrouw te helpen... niets overhaast doen weet ik uit ervaring... die vrouw het gevoel geven dat ze beluisterd wordt is nu het belangrijkste...”
Het was donderdag en in het dispensarium worden op die dag kleine kinderen gewogen... Theolen woog bijna acht kilo en Theoma bijna zeven.... een geboorteacte was er niet en wellicht hadden ze ook nog geen vaccins gehad... Officieel bestonden deze “Theo-tjes” niet.
Een uurtje later kwam de eerste beslissing: “ We gaan voor voeding, medicatie en multivitamines zorgen... overmorgen komen we op huisbezoek...Valerie, de stagiaire sociale verpleging, kan alvast een dossier opstellen... “ Theolen en Theoma werden opnieuw in de makouten gezet... “Je weet waar het is”, zei ze nog en trok toen met haar ezeltje en haar bijzondere vracht terug de savanne in...
Geconcentreerd zaten de vijf Belgische studenten, Kelvin en ik te werken aan de evaluatie van de stage die op z’n einde liep. Aan Elifèt, de tuinverantwoordelijke, was de boodschap gegeven dat ik voor niets of door niemand wou gestoord worden, een opdracht die hij ernstig nam. Maar deze keer kwam hij toch de galerij op, gaf me in z’n eigenste gebarentaal een teken dat hij me nu wèl dringend nodig had. Toen daarop ook Veronique en Arlette kwamen aangehold wist ik meteen, hier was iets bijzonder aan de hand... “Of ik even kon meekomen, er staat een vrouw aan de poort met een ezeltje en in elke makoutenzak zit een kind, een heel klein kind...”
Ze sprak niet maar keek angstig naar de twee honden die met ons allen waren meegelopen. Ze leek zo’n zestig jaar, door de hardheid van het leven gekrompen, zoals vele vrouwen in Haïti te vlug te oud getekend zijn. Onze blikken verhuisden naar twee kinderhoofdjes die net niet in de makouten verdwenen... twee gezichtjes die al even angstig naar al die vreemde mensen keken. “Kom binnen, dan kunnen we naar de kinderen kijken....” zei ik in het Creools. “ M’n god, alles loopt mis met deze kinderen” zei ik in het Nederlands.
Pluimgewichtjes waren het, eentje kon al een paar pasjes zetten, het andere was te zwak om ook maar even recht te staan. Was het niet dat ze al hun tanden al hadden, dat hun handen en voeten groter waren, we hadden nooit kunnen geloven wat de grootmoeder, want dat was ze, over deze kinderen zei: “Ze zijn drie jaar en zeven maanden, ik weet het want ze zijn sinds hun twee maanden bij me en ik heb elke maand een streepje bijgeteld.”
De tweeling Theolèn en Theoma waren in het buurland geboren want daar hadden haar zoon en haar schoondochter naar werk gezocht. Toen kort na de bevalling beide ouders stierven, de oorzaak daarvan zal onbekend blijven (aids, tbc...???) nam een vriend de tweeling op die hen later bij de grootmoeder bracht... “ Ik heb gedaan wat mogelijk was”, zei ze, “maar nu ben ik aan het einde, totaal op... onlangs heb ik zelfs op de markt gestolen om ze toch wat eten te geven... ik heb nog kinderen, maar die wonen verderweg en hebben zelf al te veel kroost om te voeden... “
Twee kleine vuistjes grepen naar het brood dat Leonne bracht en ik voelde de blikken van de stagiaires en Kelvin met dezelfde vraag als drie maanden terug toen een andere vrouw met een ander kind naar hier kwam: “Wat kan je doen?” Het enige wat ik deed was teruglopen naar het andere gebouw waar ik een papje klaarmaakte... en waar ik alles op een rijtje zette... “volgende week vertrekken de stagiaires... er moet nog veel afgewerkt... wat laat het budget toe om deze vrouw te helpen... niets overhaast doen weet ik uit ervaring... die vrouw het gevoel geven dat ze beluisterd wordt is nu het belangrijkste...”
Het was donderdag en in het dispensarium worden op die dag kleine kinderen gewogen... Theolen woog bijna acht kilo en Theoma bijna zeven.... een geboorteacte was er niet en wellicht hadden ze ook nog geen vaccins gehad... Officieel bestonden deze “Theo-tjes” niet.
Een uurtje later kwam de eerste beslissing: “ We gaan voor voeding, medicatie en multivitamines zorgen... overmorgen komen we op huisbezoek...Valerie, de stagiaire sociale verpleging, kan alvast een dossier opstellen... “ Theolen en Theoma werden opnieuw in de makouten gezet... “Je weet waar het is”, zei ze nog en trok toen met haar ezeltje en haar bijzondere vracht terug de savanne in...
De theo's: Het huisbezoek (tekst van Jeannine de Beleyr)
Het was geen huis, het was zelfs geen hut maar een “joupa”... een “schutplaats” die boeren opzetten wanneer ze dagenlang op de akkers verblijven... Deze joupa mocht de vrouw van een buurman gebruiken.
Van overal kwamen volwassenen en kinderen aangelopen, nieuwsgierig naar de reden van onze komst... ze gaven geannimeerd commentaar over de kleine naakte kinderen op de rieten mat die nu nog gretiger naar de door Jetro gegrilde maïs grepen...
“We hebben een pakketje voeding meegebracht”, zei ik in het Creools...
“Ze zal het met de buren moeten delen”, zei ik in het Nederlands...
5 mei 2009
Een hectische witte donderdag… (Tekst door Verpleegster Valerie)
Hieronder kunnen jullie een mooie tekst lezen uit de pen van Valerie Lemmens, de stagiaire-verpleegster. De gebeurtenissen zijn wel van een tijdje gelden, maar blijven een mooi voorbeeld van hoe de zaken er hier soms aan toe gaan.
Reeds jaren schrijft er zich in Akil Samdi, op witte donderdag, geschiedenis. Elk jaar opnieuw is er op die dag een urgente trip naar het hospitaal.... Dit jaar mocht ik delen in het avontuur…
Onze donderdag begon met nieuws over Tina, een meisje van 15 jaar dat ik reeds van bij het begin van mijn stage volg ivm haar brandwonden en epilepsie. Op een moment van afwezigheid van haar toezichtster had de lichtelijk mentaal gehandicapte Tina een kleine overdosis medicatie voor haar epilepsie ingenomen. Haar zusje kwam ons met enige schrik halen omdat Tina bijna 24 uur aan het slapen was. Bij het onderzoek bleek Tina toch te reageren. Een goede slaap zou voor haar verder de genezing zijn.
Onze terugweg werd onderbroken met het nieuws dat de bevalling van de hoogzwangere Gerda, voor haar tweede kindje, deze nacht van start was gegaan. Dat het niet zo vlot liep en of ik even een kijkje wou nemen. Even stond ik met verstomming. De vruchtvliezen waren niet vanzelf gebroken, waardoor er zich een blaas met vruchtwater had gevormd buiten de vagina. De ‘matronne’(vroedvrouw) was de ganse morgen en voormiddag wel aanwezig geweest, maar had er geen weet van de vliezen handmatig te breken. Ik beloofde meteen terug te komen maar wou al het materiaal, van scheermesje tot plastiek verzamelen. Sinds dat moment zijn we, Jeannine en ik, van de ene verbazing in de andere gevallen…
Na haar vruchtvliezen handmatig te hebben gebroken, kwamen de contracties van Gerda iets regelmatiger, maar haar ontsluiting nam niet toe. Volgens ‘de matronne’ verliep alles nog steeds goed. Vanaf de eerste contractie had ze Gerda laten meeduwen bij iedere contractie. Het gevolg hiervan was natuurlijk dat Gerda reeds ontzettend uitgeput was. Haar houding was immers ook niet de meest ideale. Zittend, met haar armen rond de persoon achter haar geslagen, probeerde ze zich zo sterk mogelijk te houden. Dit echter met weinig resultaat. Nog steeds vond ‘de matronne’ dat alles goed verliep en zag ze nog geen complicaties. Aan haar stelden we de uiterste limit van maximum 2 uur wachten voor. Als er dan nog geen sprake was van een geboorte zouden we tegen 15.00u naar het hospitaal rijden.
De ‘matronne’ wist ons, met haar doordachte theorie te vertellen dat de baby een jongetje was. Jongetjes liggen met hun rug links en meisjes met hun rug rechts. Meteen na deze “wetenschap” liet de oudere vrouw Gerda verder begaan, trok haar schoenen aan en ging eten. Wij bleven Gerda nauwlettend bijstaan en steunen. Inmiddels, na een grondige ontsmetting, onderzocht ik Gerda opnieuw maar er was nog steeds niet veel verloop in ontsluiting. De klok liep naar half drie en ondertussen was Gerda al 11 uur in arbeid.
Na de lunchpauze kwam ‘de matronne’ terug. Om aan alle hygiënische normen te voldoen nam ze het gebruikte kompresje met ontsmettingsmiddel, dat nu tussen het vruchtwater lag in het nog niet weggehaalde kommetje. Ze wou het gebruiken om de vaginale zone van Gerda te reinigen, spoelde haar handen in het vruchtwater en wou hierop Gerda vaginaal onderzoeken. Deze handelingen hebben we meteen afgeremd maar het duidelijk gebrek aan hygiëne tijdens de vorige uren zouden nadien enorme gevolgen hebben.
Om drie uur dienden we een beslissing te maken. De inbreng van ‘de matronne’ was minimaal, ondanks het feit dat zij de verantwoordelijkheid over Gerda had. Het initiatief om “te vertrekken” kwam vooral van ons... De familie en ‘de matronne’ sloten zich bij deze beslissing aan.
We reden naar het hospitaal van Fort Liberté, wat ongeveer één uur duurt met de terreinwagen over een slechte zandweg. Gerda voorin, de bezorgde echtgenoot, de matronne en ikzelf op de achterbank, Gerda’s moeder en nog een meisje in de laadbak tussen pak en zak, een afgesloten emmer met drinkbaar water en een andere emmer met wat doeken erin....In het begin van de rit werden de contracties steeds intenser, een bevalling in de auto was niet uitgesloten, iets wat jeannine al meerdere keren had meegemaakt. Een half uur voor onze aankomst was Gerda opmerkelijk rustig en waren haar contracties sterk verminderd.
Onze ontvangst in het hospitaal was zeer onwelkom. Blijkbaar was er een kleine afscheidsceremonie georganiseerd voor enkele Cubaanse oogartsen, die hun interventies hadden beeïndigd en terug naar Cuba vertrokken. De directrice van het hospitaal, feeestelijk opgekleed keek even de auto in en verwees meteen naar een ander hospitaal in een andere provincie, keizersnede was haar oordeel. Jeannine pikte dit echter niet een dialoog tussen haar en de directrice ging als volgt: - J.: tot nu toe heeft nog niemand deze vrouw professioneel onderzocht, niet in het dispensarium en nu gaat het hier ook niet... - D.: de generator werkt niet, we kunnen niet opereren... - J.: wie zegt dat er een operatie moet volgen? kan er dan echt geen onderzoek af? - D.: kan jij wachten zodat je verder kan rijden als het echt moet? - J.: die verantwoordelijkheid hebben we al uren terug genomen, ik breng haar verder als het echt moet.... - D.: breng haar naar de verloskamer, er is een verpleegster van dienst.... De jonge verpleegster deed haar werk goed, onderzocht Gerda en gaf nadien de raad om zo snel mogelijk naar het hospitaal van Cap Haïtien te gaan, dat op anderhalf uur rijden van Fort Liberté lag. Met kennis merkte ze op dat er mogelijk een tweeling op komst was maar dat er niet meer mocht getreuzeld worden.
De toestand van Gerda werd steeds crucialer. Haar schaamlippen waren ontzettend opgezwollen en geïnfecteerd, duidelijk het gevolg was van de benarde handhygiëne van ‘de matronne’. De contracties bleven nu ook steeds langer en langer uit.
Tegen een gemiddelde snelheid van 130 km/u en met een immense sterke geur in de auto, de lichaamsgeur van ‘de matronne’, reden we richting Cap Haïtien.
De aankomst van enkele blanken in het ziekenhuis blijft opmerkelijk en we werden op aandringen van Jeannine meteen verder geholpen. De gynaecoloog: hebben jullie een brief van Fort-Liberté bij? Jeannine: kennen ze daar niet, in het Noord-Oosten werkt niets... De gynaecoloog: ga hier maar een dossier betalen, we nemen de vrouw alvast mee voor onderzoek... Jeannine: mag mijn studente sociaal-verpleging het onderzoek bijwonen, ik zorg dat alles in orde komt.... De arts wist me te vertellen dat Gerda nog contracties had en dat ze haar meteen gingen voorbereiden op een keizersnede. Dat gebeurde professioneel, alleen vond de assistente geen steriele handschoenen meer... Jeannine: is het voor het onderzoek van onze patiente? assistente: ja... Jeannine loopt naar de auto en grijpt uit mijn consultatietas een pakje handschoenen... ondertussen stelt ze ook de familie gerust.
Na een half uurtje konden we Gerda mee begeleiden naar het operatiekwartier, het ene gebouw uit over een hobbelige kiezelweg naar een ander gebouw... Aan de echtgenoot legt Jeannine uit waar hij het best wacht en ze stopt hem nog 600 haitiaanse dollars(+/- 75 euro) in de hand... want dat was de laatste bekommernis van een uitgeputte Gerda: ” we hebben het geld niet....”
Gerust dat ze nu in de handen van een bekwame gynaecoloog was begonnen we onze terugreis in de donkere witte donderdagnacht. De volgende ochtend kregen we van de familie het leuke bericht dat Gerda was bevallen van een tweeling, en dat ze het alle drie prima stelden.
Reeds jaren schrijft er zich in Akil Samdi, op witte donderdag, geschiedenis. Elk jaar opnieuw is er op die dag een urgente trip naar het hospitaal.... Dit jaar mocht ik delen in het avontuur…
Onze donderdag begon met nieuws over Tina, een meisje van 15 jaar dat ik reeds van bij het begin van mijn stage volg ivm haar brandwonden en epilepsie. Op een moment van afwezigheid van haar toezichtster had de lichtelijk mentaal gehandicapte Tina een kleine overdosis medicatie voor haar epilepsie ingenomen. Haar zusje kwam ons met enige schrik halen omdat Tina bijna 24 uur aan het slapen was. Bij het onderzoek bleek Tina toch te reageren. Een goede slaap zou voor haar verder de genezing zijn.
Onze terugweg werd onderbroken met het nieuws dat de bevalling van de hoogzwangere Gerda, voor haar tweede kindje, deze nacht van start was gegaan. Dat het niet zo vlot liep en of ik even een kijkje wou nemen. Even stond ik met verstomming. De vruchtvliezen waren niet vanzelf gebroken, waardoor er zich een blaas met vruchtwater had gevormd buiten de vagina. De ‘matronne’(vroedvrouw) was de ganse morgen en voormiddag wel aanwezig geweest, maar had er geen weet van de vliezen handmatig te breken. Ik beloofde meteen terug te komen maar wou al het materiaal, van scheermesje tot plastiek verzamelen. Sinds dat moment zijn we, Jeannine en ik, van de ene verbazing in de andere gevallen…
Na haar vruchtvliezen handmatig te hebben gebroken, kwamen de contracties van Gerda iets regelmatiger, maar haar ontsluiting nam niet toe. Volgens ‘de matronne’ verliep alles nog steeds goed. Vanaf de eerste contractie had ze Gerda laten meeduwen bij iedere contractie. Het gevolg hiervan was natuurlijk dat Gerda reeds ontzettend uitgeput was. Haar houding was immers ook niet de meest ideale. Zittend, met haar armen rond de persoon achter haar geslagen, probeerde ze zich zo sterk mogelijk te houden. Dit echter met weinig resultaat. Nog steeds vond ‘de matronne’ dat alles goed verliep en zag ze nog geen complicaties. Aan haar stelden we de uiterste limit van maximum 2 uur wachten voor. Als er dan nog geen sprake was van een geboorte zouden we tegen 15.00u naar het hospitaal rijden.
De ‘matronne’ wist ons, met haar doordachte theorie te vertellen dat de baby een jongetje was. Jongetjes liggen met hun rug links en meisjes met hun rug rechts. Meteen na deze “wetenschap” liet de oudere vrouw Gerda verder begaan, trok haar schoenen aan en ging eten. Wij bleven Gerda nauwlettend bijstaan en steunen. Inmiddels, na een grondige ontsmetting, onderzocht ik Gerda opnieuw maar er was nog steeds niet veel verloop in ontsluiting. De klok liep naar half drie en ondertussen was Gerda al 11 uur in arbeid.
Na de lunchpauze kwam ‘de matronne’ terug. Om aan alle hygiënische normen te voldoen nam ze het gebruikte kompresje met ontsmettingsmiddel, dat nu tussen het vruchtwater lag in het nog niet weggehaalde kommetje. Ze wou het gebruiken om de vaginale zone van Gerda te reinigen, spoelde haar handen in het vruchtwater en wou hierop Gerda vaginaal onderzoeken. Deze handelingen hebben we meteen afgeremd maar het duidelijk gebrek aan hygiëne tijdens de vorige uren zouden nadien enorme gevolgen hebben.
Om drie uur dienden we een beslissing te maken. De inbreng van ‘de matronne’ was minimaal, ondanks het feit dat zij de verantwoordelijkheid over Gerda had. Het initiatief om “te vertrekken” kwam vooral van ons... De familie en ‘de matronne’ sloten zich bij deze beslissing aan.
We reden naar het hospitaal van Fort Liberté, wat ongeveer één uur duurt met de terreinwagen over een slechte zandweg. Gerda voorin, de bezorgde echtgenoot, de matronne en ikzelf op de achterbank, Gerda’s moeder en nog een meisje in de laadbak tussen pak en zak, een afgesloten emmer met drinkbaar water en een andere emmer met wat doeken erin....In het begin van de rit werden de contracties steeds intenser, een bevalling in de auto was niet uitgesloten, iets wat jeannine al meerdere keren had meegemaakt. Een half uur voor onze aankomst was Gerda opmerkelijk rustig en waren haar contracties sterk verminderd.
Onze ontvangst in het hospitaal was zeer onwelkom. Blijkbaar was er een kleine afscheidsceremonie georganiseerd voor enkele Cubaanse oogartsen, die hun interventies hadden beeïndigd en terug naar Cuba vertrokken. De directrice van het hospitaal, feeestelijk opgekleed keek even de auto in en verwees meteen naar een ander hospitaal in een andere provincie, keizersnede was haar oordeel. Jeannine pikte dit echter niet een dialoog tussen haar en de directrice ging als volgt: - J.: tot nu toe heeft nog niemand deze vrouw professioneel onderzocht, niet in het dispensarium en nu gaat het hier ook niet... - D.: de generator werkt niet, we kunnen niet opereren... - J.: wie zegt dat er een operatie moet volgen? kan er dan echt geen onderzoek af? - D.: kan jij wachten zodat je verder kan rijden als het echt moet? - J.: die verantwoordelijkheid hebben we al uren terug genomen, ik breng haar verder als het echt moet.... - D.: breng haar naar de verloskamer, er is een verpleegster van dienst.... De jonge verpleegster deed haar werk goed, onderzocht Gerda en gaf nadien de raad om zo snel mogelijk naar het hospitaal van Cap Haïtien te gaan, dat op anderhalf uur rijden van Fort Liberté lag. Met kennis merkte ze op dat er mogelijk een tweeling op komst was maar dat er niet meer mocht getreuzeld worden.
De toestand van Gerda werd steeds crucialer. Haar schaamlippen waren ontzettend opgezwollen en geïnfecteerd, duidelijk het gevolg was van de benarde handhygiëne van ‘de matronne’. De contracties bleven nu ook steeds langer en langer uit.
Tegen een gemiddelde snelheid van 130 km/u en met een immense sterke geur in de auto, de lichaamsgeur van ‘de matronne’, reden we richting Cap Haïtien.
De aankomst van enkele blanken in het ziekenhuis blijft opmerkelijk en we werden op aandringen van Jeannine meteen verder geholpen. De gynaecoloog: hebben jullie een brief van Fort-Liberté bij? Jeannine: kennen ze daar niet, in het Noord-Oosten werkt niets... De gynaecoloog: ga hier maar een dossier betalen, we nemen de vrouw alvast mee voor onderzoek... Jeannine: mag mijn studente sociaal-verpleging het onderzoek bijwonen, ik zorg dat alles in orde komt.... De arts wist me te vertellen dat Gerda nog contracties had en dat ze haar meteen gingen voorbereiden op een keizersnede. Dat gebeurde professioneel, alleen vond de assistente geen steriele handschoenen meer... Jeannine: is het voor het onderzoek van onze patiente? assistente: ja... Jeannine loopt naar de auto en grijpt uit mijn consultatietas een pakje handschoenen... ondertussen stelt ze ook de familie gerust.
Na een half uurtje konden we Gerda mee begeleiden naar het operatiekwartier, het ene gebouw uit over een hobbelige kiezelweg naar een ander gebouw... Aan de echtgenoot legt Jeannine uit waar hij het best wacht en ze stopt hem nog 600 haitiaanse dollars(+/- 75 euro) in de hand... want dat was de laatste bekommernis van een uitgeputte Gerda: ” we hebben het geld niet....”
Gerust dat ze nu in de handen van een bekwame gynaecoloog was begonnen we onze terugreis in de donkere witte donderdagnacht. De volgende ochtend kregen we van de familie het leuke bericht dat Gerda was bevallen van een tweeling, en dat ze het alle drie prima stelden.
13 apr 2009
het kruispunt
“Voodoo zoek je niet op, dat komt op je af.” Dat zijn de woorden die Jeannine elk jaar weer aan de stagiaires zegt wanneer ze vragen ‘of ze niet eens een voodooceremonie kunnen meemaken?’ Dit jaar is het contact met voodoo wel heel snel gekomen!
Ergens werd ’s nachts -dat konden we duidelijk horen- een voodooceremonie gehouden. Het tamboergeroffel doorzinderde het ganse dorp. De dag daarna reden we met de auto langs een kruispunt waar - op het eerste zicht - een hoopje afval was gestort. Jeannine stopte en maakte ons duidelijk dat we het “afval” maar eens van wat dichterbij moesten bekijken want dit was hèt kruispunt waar gisteren de voodoo-priester (bokor) z’n voodoo-aanhangers voorging in de aangevraagde ceremonie. Er waren kaarsen gebrand, er was voedsel geöfferd, er waren assen gestrooid, er lagen kippenveren. Onze aandacht viel al snel op twee brieven, waarschijnlijk geschreven aan de geesten??? Vanop een afstand zagen we dat er wat Frans geschreven was, maar de rest was niet meteen duidelijk. Nog iets verder lag een briefje van 500 gourde (€10,00), al dan niet met “iets” besprenkeld??? Omdat de stagiaires een werkje over voodoo moesten maken ging onze nieuwsgierigheid verder dan zo maar ‘eventjes kijken’. Maar zoals altijd, wanneer Jeannine ergens stopt, zijn er meteen kijklustige Haïtianen en daarom werd afgesproken dat Michiel en ik de brieven en het geld in de late avond zouden verzamelen zodat we achteraf met ons allen en Jeannine deze elementen verder konden bekijken.
Klokslag negen uur vertrokken we op onze uitzonderlijke ‘tocht’ door een bijna slapend dorp, werden we voor één avond de “kinderen van de duisternis”. De brieven lagen er nog steeds verwaaid bij maar het geld was verdwenen. Een Haïtiaan raakt achtergelaten “fetisjen” niet aan maar 500 gourde is voor een arme stakker veel geld... iemand had iets vroeger dan wij z’n angst om het mysterieuze achtergelaten...
de ceremonie
Het ging in dit geval om een “ranvwa”, een terugzenden van boze krachten bij een opgelopen ziekte. Bij een eerste “ranvwa” zal de aangesproken bokor een kleine ceremonie bij hem thuis houden in de voodoo-tempel in zijn “lakou”, het woonerf. Tijdens deze korte oproep naar de geesten toe komt de bokor te weten waar hij de “ranvwa” zal uitvoeren en deze plaats is meestal een kruispunt waar twee zandwegen samenkomen. Naar een eerste “ranvwa” komen de aanvragers niet met lege handen. Ze brengen voedsel mee in houten kalebas-schalen, halve appelsienen met een kaars erin gestopt, kippenveren en “klerèn”, de lokale sterke drank... en vooral, bij een eerste “ranvwa” hoort papieren geld, in dit geval veel geld, een ernstige zaak dus. De “lwa’s”, geesten staan in dienst van de mensheid maar ze zenden enkel hun gunsten wanneer ze goed ontvangen worden en goed gevoed. Elke geesten-familie kent haar specifieke tamboers en ritmes en het is enkel bij dit ritme en de dans dat de “lwa” afdaalt in de lichamen van de aanwezigen. Wie de ceremonie bijhoort zal zich beschermen door het dragen van meestal rode kledij en een rode band om het hoofd, geïnicieerden dragen wit... Het tamboer-ritme wordt ingezet met de eerste en belangrijkste en ook grootste tamboer, de “manman tambour”, bijgestaan door een tweede kleinere en de “boula”, de kleinste tamboer. De bokor heft gezangen aan, lange gebeden en litanies en flateert de “lwa” die in de “service” zijn of haar gunsten zal brengen. Al dansend zal men dan het “manje-lwa” offeren, de voeding voor de geest... Naarmate de ceremonie vordert worden de ritmes en de dansen heviger... de geest aan wie een gunst wordt gevraagd kan niet onverschillig blijven, de bokor schrijft voor hem of haar geheimtaal neer en trekt symbolische tekens, “vèvè’s” genoemd. Het belangrijkste gedeelte van de ceremonie is de manifestatie van één of meerder “lwa’s” ... Gelovigen komen in trance, maken gebaren die eigen zijn aan de neerdalende lwa, ze worden het “paard” van de geest want de geest “monte” zijn serviteur die zijn of haar lichaam totaal den dienste stelt voor de lwa zodat deze zich kan uitdrukken.... de ritmes zitten op hun hoogtepunt en niemand van de deelnemers kan nog onverschillig blijven... later zullen de “bezetenen” zich niets van hun gedragingen en vreemde talen herinneren.... bij het eerste hanengekraai en ochtendgloren gaat iedereen, meestal met nog starende ogen, hun weg terug naar huis... later zullen ze zeggen... we gingen “yon kote”, naar “ergens”, een voldoende uitdrukking om kenbaar te maken dat er een “ranvwa” is geweest... op het kruispunt blijven de offerresten liggen en voorbijgangers lopen er met enige “huiver” omheen, hier is een “lwa” aan het werk geweest. De ceremonie in Akil Samdi was zeker geen grote “service”.... men vroeg het ongedaan maken van een ziekte.... en vermits een zieke niet meteen geneest kan er een tweede, derde en zelfs vierde “ranvwa” worden aangevraagd, wat zeer goed is voor de beurs van de bokor. Bij volgende “ranvwa’s” wordt ander voedsel geofferd, worden dieren ritueel gedood, als voedsel klaargemaakt en gedeeld onder de aanwezigen, nadat het beste deel aan de “lwa” is gegeven. Er komt nu minder papierengeld maar meer nikkelgeld bij het offergebeuren. Papierengeld wordt later door voorbijgangers heimelijk weggehaald maar nikkelgeld raakt men niet aan want wanneer men dat geld wegneemt kan de ziekte die ergens ongedaan werd gemaakt op de “wegnemer” overgezonden worden... Gelukkig hadden we te maken met een eerste “ranvwa”...want stel je voor dat we naast de twee “brieven als documentatie” ook wat muntjes hadden meegenomen.... de idee alleen al liet even de tamboers in onze hoofden roffelen...
Abonneren op:
Posts (Atom)